Procedure vergunningverlening Mosstraat 23

Vragen aan het college van B&W inzake procedure vergunningverlening bedrijfsgebouw Mosstraat 23 in Rijen(Beantwoording in rood weergegeven)

Recent is door B&W een procedure ingezet inzake ontwerp besluit voor een omgevingsvergunning (Wabo) voor het oprichten van een bedrijfsgebouw ten behoeve van een duurzame mestverwerkingsinstallatie aan de Mosstraat 23 (A en B) in Rijen, in afwijking van het geldende bestemmingsplan. Dit gebouw is zonder de wettelijk vereiste vergunning(en) opgericht en in werking genomen.

Op 31 mei 2017 heeft uw college hiervoor het principebesluit genomen om medewerking te verlenen aan de oprichting van het bedrijfsgebouw. Dit, nadien zonder vergunning gerealiseerde en volledig in gebruik genomen bedrijfsgebouw, bevat een mestverwerkingsinstallatie die op basis van biomassaverbranding gaat functioneren.

Bij dit principebesluit is aangegeven dat de grotere bouwhoogte van het op Mosstraat 23 gerealiseerde gebouw niet past binnen het vigerende bestemmingsplan en evenmin binnen de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid overeenkomstig Wabo voor het college. Ook voorziet Wabo niet in een mogelijkheid om deze strijdigheid via een relatief eenvoudige ontheffing of afwijking te verlenen. Hieraan wordt de conclusie verbonden dat strikt formeel alleen medewerking kan worden verleend door middel van een partiële bestemmingsplanherziening of een projectafwijkingsbesluit. Uw college heeft de buitenplanse afwijkingsprocedure als genoemd in artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo en overeenkomstig artikel 6.5 Bor ingezet.

Op 4 september 2018 heeft uw college besloten om in te stemmen met de ontwerp-omgevingsvergunning en deze bekend te maken en ter inzage te leggen. Daarbij heeft uw college bovendien besloten dat er geen verklaring

1

van geen bedenkingen (VVGB) nodig is van de gemeenteraad.

Onze fractie heeft naar aanleiding hiervan de volgende vragen aan het college:

  1. Op basis waarvan heeft u besloten om voor de legalisatie van de zonder de vereiste vergunning(en) gebouwde en in gebruik genomen loods niet de procedure van een partiële bestemmingsplan te starten maar de buitenplanse afwijkingsprocedure als genoemd in artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo en overeenkomstig artikel 6.5 Bor?
    Antwoord: Het gaat in het geval van deze procedure vooral om afwijking van de bouwregels en niet zozeer het gebruik. Er is geoordeeld dat de ruimtelijke impact van deze afwijkingen klein is (afwijking van maatvoering en zijdelingse perceelgrens). Om die reden is het gerechtvaardigd deze procedure te doorlopen.
  2. Dezeprocedurevoldoetnaaronzeovertuigingnietaandelimitatieve lijst van gevallen zoals deze is opgenomen in het Bor hoofdstuk IV artikel 4. Waarop baseert u dat u toch deze procedure meent te kunnen volgen?
    Antwoord: Indien hier door vraagsteller verwezen wordt naar de kruimelgevallenlijst (Bor, bijlage 2, hoofdstuk IV, artikel 4) –> deze procedure is hier niet toegepast.
  3. Op 31 januari 2018 heeft de gemeentelijke toezichthouder geconstateerd dat de ondernemer zonder een omgevingsvergunning was gestart met de bouw van het bedrijfsgebouw en de mestverwerkingsinstallatie. Na een aanvankelijke stillegging is deze bouw en latere ingebruikname echter door de ondernemer toch doorgezet. Ervan uitgaande dat u hiervoor toestemming heeft gegeven vragen wij u op welke gronden u hiertoe heeft kunnen besluiten? Dit, wetende dat er geen wettelijke mogelijkheid bestaat voor een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid omdat de grotere bouwhoogte van het gebouw geen relatie heeft met de agrarische activiteiten maar betrekking heeft op een niet-agrarische nevenactiviteit?
  4. Waarom heeft u niet besloten de illegale werkzaamheden alsnog stil te leggen en waarom is dit niet daadwerkelijk gebeurd?
    Beantwoording vragen 3 en 4 i.v.m. de overlap:
    Het bedrijfsgebouw is inderdaad bedoeld voor de wkk- installatie. U stelt dat hier geen sprake is van een agrarische activiteit. Deze mening delen wij niet. De installatie wordt namelijk gebruikt ten dienste van de agrarische bedrijfsvoering ,te weten de verwarming van de stallen en het mestverwaardingsproces. Dit betreft agrarische activiteiten. De eigenaar heeft na de aanvankelijke stillegging de gelegenheid gekregen om het bouwwerk constructief veilig te maken. Tot slot willen we nog opmerken dat, op het moment dat hij een wkk- installatie in de bestaande bebouwing had opgericht, dit mogelijk zelfs vergunningvrij was geweest (afhankelijk van de maatvoering).
  1. U komt tot de conclusie in uw besluit van 4 september 2018 dat het door u aan de GGD team Gezondheid, Milieu & Veiligheid gevraagde advies voor de gezondheidskundige beoordeling van de vergunningsaanvraag, ten opzichte van de bestaande situatie geen sprake is negatieve gevolgen van betekenis voor de volksgezondheid van omwonenden. Hoe is deze conclusie te rijmen met de in het GGD rapport van 28 maart 2018 opgenomen conclusie dat vanuit het perspectief volksgezondheid de stijging van de emissies van geur en fijnstof door het gebruik van de ketelinstallatie met houtverbranding niet gewenst is? En dat het storten van pluimveemest uit enkele stallen zal leiden tot hoge emissies van fijnstof en endotoxinen?
    Antwoord: Als gemeente moeten wij toetsen of de aanvraag binnen de wettelijke kaders blijft voor wat betreft o.m. de emissie. Deze toetsing is uitgevoerd en daarbij is geconcludeerd dat dit het geval is. Daarmee hebben wij, ondanks dat de normen van de GGD wellicht strenger zijn, geen weigeringsgrond om medewerking te verlenen.
  2. Bovendien constateert de GGD dat de fijnstofbelasting op enkele nabijgelegen woningen boven de WHO-advieswaarden komt te liggen. Eenzelfde geldt voor de gezondheidskundige advieswaarde van endotoxine. De GGD adviseert u een cumulatieve endotoxinekaart te laten opstellen. Is deze kaart beschikbaar?
    Antwoord: De Gemeente Gilze en Rijen heeft geen cumulatieve endotoxinekaart. In het kader van het onderzoeken van de haalbaarheid van woninguitbreiding aan de Noord- oostzijde van Rijen vindt op dit moment vanuit de gemeente wel een onderzoek plaats naar de gezondheidseffecten in dat gebied in samenwerking met de OMWB en de GGD. Daarbij wordt ook gekeken naar de (intensieve) veehouderijen in het gebied.
  1. In uw besluit van 4 september 2018 concludeert u dat er geen verklaring van geen bedenkingen (VVGB) nodig is van de gemeenteraad. Artikel 6.5 lid 3 Bor bevat de bepaling van categorieën waarvoor geen VVGB nodig is. De onderhavige afwijking is daartoe niet te rekenen. Eveneens geldt dit voor de limitatieve lijst van categorieën die zijn opgenomen in de bijlage van het raadsbesluit van 26 april 2011. In uw besluit heeft u op pagina’s 􏰀􏰁 en 􏰀􏰀 hierover geconcludeerd dat u uw besluit rekent tot uitzonderingscategorie 1 van de bijlage. Dit kan echter onmogelijk omdat er voor het onderhavige gebied waarin het gebouw is opgericht en de mestverwerkingsinstallatie in gebruik is genomen geen stedenbouwkundige visie of een daarmee vergelijkbaar ruimtelijk kader bestaat.Deelt u daarom onze mening dat bij de onderhavige afwijking van het bestemmingsplan u geen andere mogelijkheid ter beschikking staat dan dat de uitgebreide procedure volgens afdeling 3.4 Awb gevolgd dient te worden? En dat hiertoe alsnog voorzien dient te worden in een VVGB van de gemeenteraad, waarbij het ontwerp van de VVGB ter visie wordt gelegd?
    Antwoord: Wij delen deze mening niet. De activiteiten van de ondernemer zijn ten dienste van de eigen bedrijfsvoering. Dit betekent dat de activiteiten passen binnen zowel het algemene kader van het bestemmingsplan buitengebied als ook de Verordening Ruimte van de Provincie Noord- Brabant. Daarmee is het passend binnen de door respectievelijk de gemeenteraad van Gilze en Rijen en Provinciale Staten vastgesteld beleidskaders. Daarmee valt het binnen uitzonderingscategorie 1. Om deze reden acht het college een VVGB niet nodig.
    Tot slot willen wij hierover opmerken dat in het kader van het ontwerp besluit wij geen zienswijze hebben ontvangen van de Provincie wat eveneens bevestigd dat de aanvraag past binnen de provinciale beleidskaders.
  2. Noodzaakt bovendien het, naar verluidt, grote aantal ingediende zienswijzen tegen de ontwerp-omgevingsvergunning niet in meerdere mate om de VVBG te vereisen, zodat hiermee ook de gemeenteraad kan oordelen of de aanvraag voldoet aan het geldende beleid en een goede ruimtelijke ordening? En daartoe kan oordelen over de voor de aldus vereiste VVGB in te dienen zienswijzen en de standpunten daarover van de aanvrager en uw college?
    Antwoord: Op dit moment zijn wij bezig met de beantwoording van de zienswijzen. In dat kader zullen we ook toetsen of een VVGB alsnog noodzakelijk blijkt te zijn.
  3.  Zult u op basis van hetgeen is opgenomen onder 8 en 9 alsnog daadwerkelijk de uitgebreide procedure volgens afdeling 3.4 Awb met inbegrip van het vereiste VVGB volgen?
    Antwoord: Zie de beantwoording bij vraag 7 en 8. 

Peter von Meijenfeldt 13 november 2018